HKU

HKU-Column februari 2017

Maar hoe vertellen we de generaties na ons wat bepalend is geweest voor ons levensgevoel?

Kleurwedstrijd

Als je een onbekende tegenkomt op straat en je vraagt of deze ooit heeft meegedaan aan een kleurwedstrijd, hoe groot is dan de kans dat het antwoord 'ja' zal zijn? En als je diezelfde vraag stelt binnen de muren van een hogeschool voor de kunsten, is de kans dat je 'ja' te horen krijgt dan groter? Zelf heb ik nooit meegedaan aan een kleurwedstrijd en de leeftijd waarop dat nog geoorloofd is, ligt lang achter me. Alhoewel? In de roman "Gaan, Ging, Gegaan" meldt schrijfster Jenny Erpenbeck dat de hoofdpersoon, een emeritus hoogleraar klassieke talen, ooit een college heeft gegeven over taal als tekensysteem: 'Woorden als tekens voor dingen. Taal als vel, als huid. Terwijl woorden toch altijd alleen woorden bleven. Het waren nooit de dingen zelf. Je moest veel meer weten dan alleen de naam, anders had het allemaal geen zin. Waardoor wordt een oppervlak een oppervlak?' Interessante vraag. Waardoor wordt een kleurwedstrijd een kleurwedstrijd? Waardoor wordt een Nederlander een Nederlander? Moet je het zijn of moet je het ook voelen? En hoe voelt dat eigenlijk, Nederlander?

 
"Aan alle Nederlanders," las ik op 23 januari jongstleden in een open brief van de premier. Aangezien ik de Nederlandse nationaliteit bezit, was de brief ook voor mij bedoeld. Maar aangesproken worden en je aangesproken voelen zijn twee totaal verschillende dingen. Nederlander zijn en je Nederlander voelen ook. Ik ben het altijd, maar voel het me bijna nooit. Zeker niet bij het lezen van de woorden van onze premier. Ik zei net bewust: 'bijna nooit'. Want als er medailles of bekers worden gewonnen, voel ik me ineens ontzettend Nederlander. (Als er wordt verloren trouwens ook.) Hoe chauvinistisch! Maar verder? De enige andere situatie waarvan ik me kan voorstellen dat ik me dan Nederlander zou voelen, heb ik gelukkig nog nooit meegemaakt. Een oorlog. Voor "dé oorlog" ben ik te jong. Bondscoach Rinus Michels beweerde ooit dat voetbal oorlog is. Gelet op de vermeende overeenkomsten tussen sport en oorlog kan ik dus kort door de bocht geformuleerd stellen dat ik me alleen Nederlander voel in tijden van oorlog. In vredestijd vind ik dat nogal ingewikkeld. Dan voel ik me van alles, maar géén Nederlander.
 
Voor Adèle Bloemendaal schreef Jan Boerstoel in 1985 het lied "De jaren zestig". Het ademt de sfeer van hoop en idealen: 'De liefde en de vrijheid ging in spijkerpak gekleed', 'de jaren zestig, de idealen kwamen vrij', 'de jaren zestig en de dromen die je had, en door die dromen werden steeds meer mensen wakker', 'de jaren zestig en de toekomst die je zag en die je hoorde in de stem van nieuwe leiders', 'en Bob Dylan die verwoordde, wat met je gevoelens spoorde, bij je lange haren hoorde en je huid ... de jaren zestig, een nieuwe lente van geluid.' Als ik me iets voel, is het een kind van die jaren zestig. In het laatste couplet vraagt Boerstoel zich terecht af: 'De jaren zestig en wat kwam ervan terecht? / Misschien niet veel als je het kritisch gaat beschouwen / want mensen kunnen niet zo lang van elkaar houên en een aantal wil niet beter of gewoon alleen maar slecht.' Het lied eindigt als volgt: 'En zo eindigde het wonder en soms lijd je daar nog onder, maar het was en blijft bijzonder wonderschoon ... De jaren zestig, maar hoe vertel ik het mijn zoon?' Dat is inderdaad de grote vraag. De feiten staan keurig in de geschiedenisboekjes. Maar hoe vertellen we de generaties na ons wat bepalend is geweest voor ons levensgevoel?
 
Behalve een kind van de jaren zestig voel ik me ook mijn hele leven al een kind van na de oorlog. Als ik hoor hoe moeilijk het is om jongeren naar de stembus te krijgen, ben ik verbijsterd. Niet omdat ze zich niet aangesproken voelen door de verhalen van de dames en voornamelijk heren politici. Dat snap ik. Neerlands Hoop verwoordde het in "Politiek" samengevat zo: 'Als ik niet kijk, luister, lees, weet ik het niet. Wist ik er niets van. Kunnen ze mij niets maken, dus ik kijk, luister, lees niet.' De slotregel luidt: 'Ik ben er niet, ik ken ze niet.' Was ik in mijn jeugd overmatig geïnteresseerd in de verhalen van politici? Dat viel erg mee, of liever gezegd nogal tegen. Toch had ik los van die verhalen een heel goede reden om naar de  stembus te gaan. Er is een periode geweest waarin mensen daarnaar snakten. Ze mochten echter niet! Dat recht is niet vanzelfsprekend. Voor de mogelijkheid die ik heb om een hokje rood te maken op de belangrijkste kleurplaten die ik in de loop van mijn leven onder mijn neus heb gekregen, lieten mensen het kostbaarste wat ze hadden, hun leven. Dat alleen al is voldoende reden om mijn stemrecht te gebruiken.
 
Het is niet waar dat ik nooit heb meegedaan aan een kleurwedstrijd. Ik doe het trouw als er verkiezingen zijn. Met een rood potlood alle mogelijke kleuren kunnen bekennen is een wonder. Ik ben en blijf een kind van de jaren zestig. Ik wil geen land waar Nederlanders van elkaar houden. Ik wil een land waar mensen van elkaar houden. Misschien is dit wel de belangrijkste kleurwedstrijd van ons leven. Pak dat potlood!

Lambertha Souman is redactioneel medewerkster bij HKU. Daarnaast is zij tekstschrijver in de breedste zin van het woord (liedteksten, poëzie, artikelen, brochures, folders).

lambertha.souman@hku.nl