De Mannheimer Schule en haar discipelen

Barokorkest van HKU Utrechts Conservatorium, aangevuld met studenten van het Conservatorium van Amsterdam o.l.v. Antoinette Lohmann

  • 26/01
De Mannheimer Schule en haar discipelen
Gratis toegang, reserveren niet verplicht

Programma

Cristiano Giuseppe Lidarti (Wenen 1730 - Pisa na 1793).: Sinfonia 4 opus 2 in g (1768)
Andantino con Espreßione, Adagio con Gratia, Minuetto, Vivace

Franz Xaver Richter (Holleschau (Thans Holešov) 1709 - Straatsburg 1789): Overtura 1 in F (gepubliceerd ca. 1757)
Allegro, Andante, Allegro

Tozzi, Gozzi, Jozzi, Overtura 3 in g (gepubliceerd ca. 1757)
Allegro, Andantino Consordini, Allegro

Pierre Vanmaldere (Brussel 1729 - Brussel 1768): Sinfonia 3 opus 5 in Es (1768)
Largo, Allegro aßai, Grave, Presto

Johann Anton Filtz (Eichstätt 1733 - Mannheim 1760): Symphonia 2 opus 2 in g (1760)
Allegro, Andante, Allegro assai

Bezetting

Viool 1: Antoinette Lohmann, Frances The, Valtteri Tolppi, MengHan Wu, Álvaro Muñoz Perera

Viool 2: Ciara Sudlow, Monet Twisk, Julia Raggers, Daan Augustijn, Camilla Crisostomi

Altviool: Roald van Os, Geert Schalk, Eura Fortuny

Cello: Héloise Godefroi, Maria Suárez López

Bas: Daniel Muskitta

Mannheimer Schule

De stijl van de Mannheimers wordt in de boeken geschaard onder de zogenaamde Vorklassik, een meer door jaartallen dan door stijl ingegeven classificatie, vermoedelijk vooral voortkomende uit het feit dat men nu eenmaal heeft besloten dat de klassieke stijl wordt bepaald door een aantal thans beroemdere grootheden, zoals Mozart en Haydn. De composities van de Mannheimers werden echter al niet meer, zoals gedurende de Barok, vanuit de bas gedacht, maar vanuit de melodie, de basso continuo verdween dan ook geleidelijk. De vorm was echter nog in ontwikkeling, zo gebruikten de Mannheimers bijvoorbeeld nog geen duidelijke sonatevorm met een expositie, een doorwerking en een reprise, (het kruit wordt vaak zelfs al enigszins verschoten in de eerste helft), maar het is duidelijk dat de Mannheimers aan de voet stonden van wat nu als de klassieke stijl wordt gezien.

Het Mannheimer Hof werd tussen 1743 en 1778 geregeerd door de net van München naar Mannheim verhuisde koorvorst Carl Theodoor en onder wiens bewind het Hof uitgroeide tot een belangrijk cultureel centrum. Met de benoeming van Johann Stamitz (1717-1757), die in 1743 concertmeester van de Hofkapel werd, haalde hij de muzikale grondlegger van wat wij thans de Mannheimer Schule noemen in huis. Het hof beschikte reeds over een redelijk orkest, maar onder leiding van Stamitz groeide de Kapel aanzienlijk en nam het niveau enorm toe. Hij wist voor de belangrijke posities bekende musici aan te trekken, zoals de violisten Cannabich, Toeschi en Fräntzl, allen opgeleid door Stamitz, en de cellisten Filtz en (Innozenz) Danzi. De toevoeging ‘discipelo di Stamitz’ werd in het midden van de 18e eeuw vaak gebruikt als bewijs voor kwaliteit, ongeacht de vraag of het daadwerkelijk een leerling van Stamitz betrof.

De bekendste uitspraak over de Mannheimers is afkomstig van Charles Burney: ‘It’s an army of generals, equally fit to plan a battle, as to fight it’. Volgens Burney bestond het orkest uit meer goede musici en componisten dan waar dan ook in Europa, en de kwaliteit moest volgens hem wel voortkomen uit de daar heersende discipline. Zo werd bijvoorbeeld de uniformiteit van de streken geroemd, blijkbaar was dat uitzonderlijk. Schubart beschreef in zijn Ideen zu einer Ästhetik der Tonkunst (ca. 1784) dat het orkest uitblonk in veelzijdigheid en dat niet eerder een orkest speelde zoals in Mannheim: ‘zijn forte is een donder, zijn crescendo een waterval, zijn diminuendo als van een de verte spetterend beekje, zijn piano als een lentebriesje. Hier kon men, zoals Klopstock schreef, zwemmen in de wellusten der muziek.

Het Hof beschikte onder andere over een operatheater, waar vooral veel Italiaanse opera’s werden gespeeld. De operatraditie aan het hof heeft waarschijnlijk een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van Mannheimer stijl: de werken van onder andere Jomelli, Piccinni, Galuppi, Caldara en Traetta waren al geschreven in een idioom dat al af begon te drijven van de barokke taal en werden reeds gekenmerkt door een zeer contrastrijke dynamiek. De vaak driedelige ouvertures, niet zelden gecomponeerd als zelfstandige composities, werden de voorlopers van de symfonie. In ons programma is dat nog terug te zien in sommige titels. Ook gaf Carl Theodor de begaafdste Schüler de kans zich in Italië bij onder andere Padre Martini en Jomelli verder in de muziek en met name het componeren te bekwamen. Veel van de Mannheimer musici werden de docent van weer latere beroemdheden: er leiden stambomen naar von Weber, Meyerbeer, Spohr, Joachim en vele anderen.

Veel orkestleden componeerden voor de Kapel, hiervoor bestond een duidelijk taakverdeling. In het orkest werden ook ‘Schüler’ opgenomen, die later meestal een aanstelling in het orkest kregen. De kinderen van de leden van de Kapel, die aan het hof opgroeiden, belandden vaak ook weer in het orkest. Het orkest leidde feitelijk zijn eigen musici op en speelde eigen muziek, waardoor een van binnenuit opgebouwde eenheid kon ontstaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat door de Mannheimers geen methodes zijn gepubliceerd die ons veel verduidelijken over de uitvoeringspraktijk. We moeten het vooral doen met wat er van buitenaf over geschreven is, maar de hoeveelheid informatie over bijvoorbeeld de versieringen is zeer beperkt.

Christian Joseph Lidarti (1730-1793) was een Oostenrijkse componist van Italiaanse afkomst. Tijdens zijn studies filosofie en rechten nam hij klavecimbel- en harples en leerde zichzelf te componeren. Zijn oom, Giuseppe Bonno, een Kapelmeester in Wenen, verweet hem dilettantisme en adviseerde hem zich te verdiepen in de theoretisch tractaten van die tijd. In 1751 vertrok hij naar Italië om zich toch verder in de muziek te bekwamen en studeerde onder andere bij Jomelli, een van de Mannheimer inspiratoren. Volgens sommige bronnen was hij tevens cellist.

Franz Xaver Richter (1709-1789) was een Duitse componist van Moravische afkomst. Over zijn studie is niets bekend, maar uit zijn compositietraktaat Harmonische Belehrungen (1767) valt op te maken dat hij een studiereis naar Italië heeft gemaakt. Het traktaat is vooral gericht op contrapunt en mede geïnspireerd door Johann Fux’s Gradus ad Parnassum, maar behandelde ook al het ‘modernere’ genre “de symfonie’. Van 1736-46 was hij als baszanger en als (vice)kapelmeester in dienst van verschillende hoven. In 1746 kwam hij, met meerdere onderbrekingen, als zanger en later ook als violist in dienst van de Mannheimer Hofkapel als en behoort dus tot de eerste generatie ‘Mannheimers’. Hij werd daar tevens een van de belangrijkste componisten van instrumentale muziek. Naar het schijnt is veel van zijn muziek niet uitgegeven en daarmee jammer genoeg verloren gegaan.

Over Jozzi en Tozzi weten we iets, over Gozzi helemaal niets! In de collectie waaruit deze symfonie afkomstig is en waarin verder werk te vinden is van voornamelijk Mannheimers, staat op de voorkant van de 1e druk vermeld dat deze symfonie ‘di Vari AUTORI’ is. In de 1e vioolpartij heeft iemand met de hand “da Jozzi (of Tozzi, of Gozzi)” bij het 1e en 3e deel geschreven, bij het 2e deel staat niets. De enige verwijzing naar een musicus genaamd Gozzi die in deze tijd past wordt vermeld in een opsomming van de leerlingen van de beroemde violist Pietro Nardini. Giuseppe Jozzi (Rome 1710 - Amsterdam 1770) verbleef weliswaar enige tijd in Duitsland, maar lijkt alleen voor klavecimbel te hebben gepubliceerd. Misschien ligt Antonio Tozzi (Bologna 1736 - Bologna na 1812) nog het meest voor de hand. Tozzi studeerde, evenals een aantal Mannheimers, bij Padre Martini en was actief als kapelmeester aan de hoven van Braunschweig en München, een mogelijke connectie met Mannheim is dan ook iets makkelijker te begrijpen. Na een affaire met de gravin van het hof in München, zelfs becommentarieerd door Wolfgang Amadeus Mozart in een brief aan zijn vader, ontvluchtte hij Duitsland en ging terug naar Italië.

Pieter (Pierre) van Maldere (1729-1768) was een Vlaamse componist en violist. Zijn viooldocenten waren Fiocco en de Croes. In 1746 volgde Croes Fiocco op in de Brusselse Hofkapel en nam van Maldere op in het orkest. Het hof stelde van Maldere in de gelegenheid buitenlandse reizen te maken, zo wekte hij onder andere een paar termijnen in Dublin. Ook nam hij deel aan de Parijse Concert spirituel, waar hij eigen werk ten gehore bracht. Hij stichtte daarop een Brusselse variant van de Concert spirituel, de Concert Bourgeois. Vanaf 1762 was van Maldere een van de leidende figuren bij het Théâtre Royal de la Monnaie in Brussel, alwaar hij uitvoeringen leidde en verantwoordelijk was voor de programmering. Financiële problemen aldaar noodzaakten hem zich terug te trekken, niet lang daarna overleed hij.

Johann Anton Filtz (1733-1760) was een Duitse cellist en componist. Hij kreeg les van zijn vader, die ook cellist was. In 1754 kwam hij als cellist in dienst van het hof in Mannheim. Op de titelpagina van zijn triosonates opus 3 wordt hij een ‘dissepolo’ van Stamitz genoemd. Hij stierf zeer jong en over de doodsoorzaak deden verschillende verhalen de ronde: hij zou óf overleden zijn als gevolg van het eten van teveel spinnen, die volgens hem naar aardbeien smaakten, óf als gevolg van het eten van glas uit smart om een onmogelijke liefde.
Schubart beschouwde Filtz als de beste symfonieën-componist ooit en roemde de vernieuwende ‘invallen’, harmonische rijkdom, juichende presto’s en verrassende andantes in diens werk. Er is weinig muziek van Filtz in druk verschenen, hij was zelf erg bescheiden over zijn werk ‘en de meeste composities werden van hem gestolen’, een geluk bij een ongeluk, ‘want anders zouden wij niets meer van hem hebben gehad’, aldus Schubart.