HKU

UCS x Tsjaikovski

Datum: 31-1-2020
Plaats: HKU Oudenoord en Fentener van Vlissingenzaal
Tijd: Van 12.30 tot 13.30 uur en van 20.00 tot 21.00 uur


Entree gratis, reserveren niet nodig 


Locatie en tijd:
HKU Oudenoord (Oudenoord 700, Utrecht) van 12.30 tot 13.30 uur
Fentener van Vlissingenzaal (Mariaplaats 27, Utrecht)van 20.00 tot 21.00 uur

Uitvoerenden:
Utrecht Conservatory Strings o.l.v. Mikhail Zemtsov

Solisten:
• Lev Bogino - viool
• Fernando Romaguera Lara - cello"

Programma:
"• Serenade for Strings Op. 48
• Variations on a Rococo Theme Op. 33
• Souvenir d’un lieu cher Op. 42 "

Programma toelichting:
De Russische componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) kan zich al bijna 100 jaar verheugen in een trouwe schare aan liefhebbers. De redenen zijn niet moeilijk te formuleren. Tsjaikovski heeft in melodisch opzicht een zeer gelukkige hand van componeren. Zijn melodieën zijn altijd overtuigend en zitten goed in de vorm. Een tweede reden is zijn vermogen om fraaie orkestraties te schrijven die - op een of andere wijze – een verrassend licht op de compositie kunnen werpen. Voor Tsjaikovski was de orkestratie dan ook geen techniek die achteraf op een compositie moest worden losgelaten. Nee, het was een volwaardig onderdeel van het creatieve proces. Het was onderdeel van de planning. Dat er bijvoorbeeld ineens een fraaie melodie voor de hobo in het midden van een bepaald stuk kon klinken, was slechts mogelijk omdat Tsjaikovski het instrument in de eerste helft van de compositie niet had laten horen. Hij hield graag een troef achter de hand om deze – als het niemand het verwachtte – op tafel te leggen.Een derde reden is zijn ongelofelijke harmonische vindingrijkheid. Ik ken geen componist met zo’n elastische harmonische taal als Tsjaikovski. Aan het begin van een deel is de harmonische taal vaak eenvoudig, de complexiteit groeit als de finale climax in het zicht komt om vervolgens weer af te nemen als de eindstreep nadert. Ook de harmonische taal is nauw verweven met de vorm. Soms lijken sommige noten zelf niet te weten wat ze zijn: akkoordnoot of voorhouding? De luisteraar kan het slechts achteraf bepalen.Zijn er dan alleen maar sterke punten te formuleren? Nee, dat ook weer niet. Tsjaikovski’s critici hebben vaak gewezen op zijn het feit dat hij moeite heeft met de symfonische verwerking van thema’s en motieven. Tsjaikovski presenteert vaak een melodie en herhaalt deze (eventueel met een nieuwe tegenstem), maar neemt de melodie – of delen hiervan - zelden mee in het symfonische proces. Ach, welke componist is helemaal perfect? Luister naar een Tsjaikovski’s balletten en al zijn tekortkomingen verdampen als sneeuw voor de zon. De muziek weet volkomen te overtuigen. Hoewel de mogelijkheden voor zijn instrumentatiekunst in de muziek voor louter strijkers beperkt zijn, komen andere alle sterke punten van Tsjaikovski toch ook in deze muziek naar voren. Tsjaikovski’s bekendste compositie voor strijkers is zijn Strijkersserenade in C majeur op. 48. Hij ronde het stuk in 1880 af. De première van het stuk vond plaats op het Conservatorium van Moskou. Tsjaikovski wilde dat het strijkorkest uit zo veel mogelijk spelers bestond. Klaarblijkelijk streefde hij een zo groot mogelijke en rijke klank na met veel versmelting van stemmen. Het tweede deel is een beroemde en lichtvoetige wals, die ook wel los van de overige stukken wordt uitgevoerd. De finale bevat twee Russische volksmelodieën, de absolute hoeksteen van de stijl van elke echte Russische componist. Van Tsjaikovski wordt vaak beweerd, dat hij meer Westers dan Russisch was. Het feit dat hij zijn hele leven belangstelling heeft gehad voor de Russische volksmuziek, doet toch wel vermoeden hoe zeer Rusland hem aan het hart ging. In de Rococovariatie op. 22 voor cello en een kleine orkest laat Tsjaikovski zich echter door een typische Westerse componist inspireren: namelijk Mozart. Door Tsjaikovski’s grote vindinProgramma toelichting:De Russische componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) kan zich al bijna 100 jaar verheugen in een trouwe schare aan liefhebbers. De redenen zijn niet moeilijk te formuleren. Tsjaikovski heeft in melodisch opzicht een zeer gelukkige hand van componeren. Zijn melodieën zijn altijd overtuigend en zitten goed in de vorm. Een tweede reden is zijn vermogen om fraaie orkestraties te schrijven die - op een of andere wijze – een verrassend licht op de compositie kunnen werpen. Voor Tsjaikovski was de orkestratie dan ook geen techniek die achteraf op een compositie moest worden losgelaten. Nee, het was een volwaardig onderdeel van het creatieve proces. Het was onderdeel van de planning. Dat er bijvoorbeeld ineens een fraaie melodie voor de hobo in het midden van een bepaald stuk kon klinken, was slechts mogelijk omdat Tsjaikovski het instrument in de eerste helft van de compositie niet had laten horen. Hij hield graag een troef achter de hand om deze – als het niemand het verwachtte – op tafel te leggen.Een derde reden is zijn ongelofelijke harmonische vindingrijkheid. Ik ken geen componist met zo’n elastische harmonische taal als Tsjaikovski. Aan het begin van een deel is de harmonische taal vaak eenvoudig, de complexiteit groeit als de finale climax in het zicht komt om vervolgens weer af te nemen als de eindstreep nadert. Ook de harmonische taal is nauw verweven met de vorm. Soms lijken sommige noten zelf niet te weten wat ze zijn: akkoordnoot of voorhouding? De luisteraar kan het slechts achteraf bepalen.Zijn er dan alleen maar sterke punten te formuleren? Nee, dat ook weer niet. Tsjaikovski’s critici hebben vaak gewezen op zijn het feit dat hij moeite heeft met de symfonische verwerking van thema’s en motieven. Tsjaikovski presenteert vaak een melodie en herhaalt deze (eventueel met een nieuwe tegenstem), maar neemt de melodie – of delen hiervan - zelden mee in het symfonische proces. Ach, welke componist is helemaal perfect? Luister naar een Tsjaikovski’s balletten en al zijn tekortkomingen verdampen als sneeuw voor de zon. De muziek weet volkomen te overtuigen. Hoewel de mogelijkheden voor zijn instrumentatiekunst in de muziek voor louter strijkers beperkt zijn, komen andere alle sterke punten van Tsjaikovski toch ook in deze muziek naar voren. Tsjaikovski’s bekendste compositie voor strijkers is zijn Strijkersserenade in C majeur op. 48. Hij ronde het stuk in 1880 af. De première van het stuk vond plaats op het Conservatorium van Moskou. Tsjaikovski wilde dat het strijkorkest uit zo veel mogelijk spelers bestond. Klaarblijkelijk streefde hij een zo groot mogelijke en rijke klank na met veel versmelting van stemmen. Het tweede deel is een beroemde en lichtvoetige wals, die ook wel los van de overige stukken wordt uitgevoerd. De finale bevat twee Russische volksmelodieën, de absolute hoeksteen van de stijl van elke echte Russische componist. Van Tsjaikovski wordt vaak beweerd, dat hij meer Westers dan Russisch was. Het feit dat hij zijn hele leven belangstelling heeft gehad voor de Russische volksmuziek, doet toch wel vermoeden hoe zeer Rusland hem aan het hart ging. In de Rococovariatie op. 22 voor cello en een kleine orkest laat Tsjaikovski zich echter door een typische Westerse componist inspireren: namelijk Mozart. Door Tsjaikovski’s grote vindingrijkheid weet hij van elke variatie een klein meesterwerkje te maken. Arnaud Heeringsgrijkheid weet hij van elke variatie een klein meesterwerkje te maken. (Tekst van Arnaud Heerings)