HKU

Van wie is de wereld eigenlijk? Van de mogelijkheidsmens misschien?

Mogelijkheidsmens

Van wie is de wereld eigenlijk? Jaap van Heerden stelt die vraag in een van de columns die in 1990 verschenen onder de titel "Wees blij dat het leven geen zin heeft". Thé Lau zingt: 'Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen', maar zo simpel is het niet. Je mocht willen dat het waar was. Van Heerden schrijft in de bewuste column: 'De Zwitserse rechtsfilosoof Peter Saladin wil aan de natuur rechten toekennen, zoals die aan u en mij zijn toegekend. Die filosofie kan gemakkelijk uitgebreid worden tot alle objecten, ook culturele artefacten. Voorwerpen, dieren, plantjes, rotspartijen, tramhuisjes en olifanten zijn geen objecten maar net als wij subjecten met een eigen bestaansrecht. Dit is een gedistingeerd wijsgerig standpunt en in sommig opzicht ook heel redelijk (...) Maar in zijn algemeenheid is de stelling van Saladin natuurlijk niet te handhaven. Er treedt meteen klassejustitie op. Wat te denken van bestaansrechten van een ziektekiem, de vrijheidsbelemmering van een lawine en het autonome bestaan van een boterham?' Inmiddels zijn we vijfentwintig jaar verder. Hoe zit het nu met de klassenjustitie?

 
Volgens een recent rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau is het aantal mensen met een licht verstandelijke beperking dat langdurig zorg krijgt de afgelopen 15 jaar bijna vervijfvoudigd. In 1998 waren het er 22.000 en in 2011 108.000. Hoogleraar Burgerschap Evelien Tonkens  heeft wel een verklaring voor deze schokkende cijfers die ZEMBLA meldde op 1 april jongstleden: 'Ik denk dat onze samenleving mensen met een verstandelijke beperking in toenemende mate uitsluit doordat we de samenleving ingewikkelder maken en doordat we nauwelijks meer plekken hebben waar zij een beetje makkelijk kunnen meedoen.' Peter Nouwens (wetenschappelijk onderzoeker en bestuurder van Prisma, een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking) onderschrijft deze conclusie: 'Het aantal mensen dat moeite heeft om zich zelfstandig te handhaven groeit en groeit en je hoort of ziet daar relatief weinig over. Dat betekent dus dat we in een samenleving wonen waarin het tempo en de complexiteit heel hoog liggen waardoor het voor mensen in toenemende mate moeilijker wordt om aan te haken en een groeiend aantal haakt af.' Van wie is de wereld eigenlijk? Van de mogelijkheidsmens misschien?
 

Filosoof Hans Schnitzler haalt in "Het Digitale Proletariaat" Robert Musil aan: '... als werkelijkheidszin bestaat, en niemand zal eraan twijfelen dat die bestaansrecht heeft, dan moet  er ook iets bestaan dat je mogelijkheidszin kunt noemen. Wie die bezit zegt bijvoorbeeld niet: hier is dit of dat gebeurd, zal gebeuren, moet gebeuren; maar hij bedenkt: hier zou, moest of had iets kunnen gebeuren, en als je hem dan van het een en ander uitlegt dat het is zoals het is, dan denkt hij: ach, het zou waarschijnlijk ook anders kunnen zijn. Aldus zou de mogelijkheidszin welhaast te definiëren zijn als het vermogen om alles te denken wat evengoed zou kunnen zijn, en om aan wat is geen grotere betekenis te hechten dan aan wat niet is.' Schnitzler voegt hieraan toe: 'De mogelijkheidsmens neemt geen genoegen met de wijze waarop dingen zich aan hem voordoen. Niet hoe de dingen zijn, maar hoe zij kunnen zijn, drijft hem voort ("Yes, we can!").' De grote vraag is natuurlijk wie die "we" zijn in 'Yes, we can!' Vast niet de "iedereen" van Thé Lau. Sterker nog: zou het niet kunnen dat die "we" een steeds kleiner wordende groep is, terwijl de moderne communicatie- en transportmiddelen ons tegelijkertijd het gevoel moeten geven dat "de wereld steeds groter wordt". Moet het antwoord op de beginvraag van deze column strikt genomen niet luiden: een steeds groter wordende wereld is van een steeds kleiner wordende groep mensen?

 
Fysiek wordt de wereld niet groter, maar haar bevolking blijft groeien. Wat gaan die "we" straks doen met al die mensen die niet behoren tot "hun soort mogelijkheidsmensen", met nadruk op "hún soort"? Worden ze bestreden als ziektekiemen, gemeden in verband met lawinegevaar of verorberd als een boterham? In zijn jongste dichtbundel, "Idyllen", laat llja Leonard Pfeijfer zien dat er voor hen die letterlijk buiten de boot vallen zelfs geen hoop meer is in de poëzie: 'Gelukszoeker word ik genoemd in de annalen / Ik wou dat ik het tot zover had mogen halen. / Ik wou bestaan. Ik had zo graag iets mogen mogen. / Maar nu zie ik voor altijd zee met dode ogen.' Wacht hun die figuurlijk buiten de boot vallen eenzelfde lot?
 

Welk antwoord geeft HKU met haar slogan "nieuwe verbindingen, nieuwe toepassingen" op de beginvraag? Ligt haar fascinatie bij de technologische verworvenheden van de westerse mogelijkheidsmens of beweegt zij zich in de richting van het ideaal van Thé Lau en kiest zij voor de mogelijkheden van de onmogelijkheidsmens opdat ook zijn recht is gegarandeerd om te bestaan en iets te mogen mogen?

Lambertha Souman is redactioneel medewerkster bij HKU. Daarnaast is zij tekstschrijver in de breedste zin van het woord (liedteksten, poëzie, artikelen, brochures, folders).

lambertha.souman@hku.nl

Archief Column

2015
- maart
- februari
- januari

2014
- december
- november
- oktober
- september
- zomer