HKU
Over de schouder

Vijfendertig makers in het amateurtheaterveld kregen in een periode van vier jaar (2007 - 2010) een individueel coachingstraject aangeboden. Makers uit het professionele circuit trokken een productie lang met hen op en coachten hen op basis van hun leervragen. Dit gebeurde binnen het project ‘Coaching in theater maken’ een samenwerkingsproject van Kunstfactor, werkplaatsen voor amateurkunst, instellingen voor kunst en cultuur en de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Bij de theatermakers en hun collega-makers uit het professionele veld is het project goed gevallen. Eén op één coaching blijkt een uitstekende formule voor deskundigheidsbevordering in de amateurkunstsector te zijn.

‘Ik mag best meer van mijn spelers eisen.’

Parallel aan de coachingstrajecten die overal in Nederland plaatsvonden, verzamelden en analyseerden onderzoekers van het Lectoraat Theatrale Maakprocessen de ervaringen van de makers en hun coaches. Dat deden ze door jaarlijkse bijeenkomsten, interviews en een website. Wat zij aan kennis vonden op het vlak van theater maken en coaching deelden zij al gedurende het project met de betrokkenen. Zo ontstond er op een natuurlijke manier een kennispool die voor de makers, hun coaches en de onderzoekers zelf interessante nieuwe inzichten opleverde.

‘Haar tip om meer te gaan side-coachen heeft zijn vruchten afgeworpen. En daar moest de groep best aan wennen.’

Dit boek bevat vakkennis en inspiratie voor makers die zich verder willen ontwikkelen. Het is bestemd voor docenten en makers die andere makers coachen en op zoek zijn naar nieuwe ingangen. Voor beleidsmakers die benieuwd zijn naar de impact van een professionaliseringsproject biedt dit boek genoeg informatie om over door te denken.

Het boek kan kris kras gelezen worden. Het is gebaseerd op de ervaringen van een groot aantal makers en coaches met ieder hun eigen visie en werkwijze. Een eensluidende methode is in dit boek dan ook niet te vinden. Wel geeft het boek inzicht in interessante overeenkomsten en verschillen in zowel maak- als coachingsprocessen.

In de volgende hoofdstukken worden visies en maakstrategieën van makers en coaches vertaald naar werkwijzen op de vloer. De diverse auteurs hebben de ervaringen van makers en coaches gerangschikt aan de hand van maakprocesmodellen, die het Lectoraat Theatrale Maakprocessen heeft ontwikkeld. Zij keken naar de fasering van de maakprocessen van de makers en hun coaches, van voorbereiding tot en met montage en première. En ze keken naar de factoren die het maakproces bepaalden, zoals de bagage van de maker en de gegeven spelersgroep, tijd en ruimte. In de bijlagen zijn de uitkomsten van hun analyses in schema’s weergegeven.

‘Ik heb geleerd te luisteren naar het materiaal wat ik heb.’

In hoofdstuk 1 schrijft dramaturg Daniela Moosmann over de voorbereidingsfase van een maakproces. De fase van het maken van materiaal die hierop volgt wordt in het tweede hoofdstuk besproken door theaterdocent en maker Maaike Kempers. In hoofdstuk 3 gaat schrijver Jelmer Soes in op het werken met vaste en nieuwe teksten in het amateurtheater. Dramaturg Anoek Nuyens behandelt in hoofdstuk 4 de montage fase, waarbij zij het begrip montage in een historische context zet. Thera Jonker, hoofd Masteropleiding Kunsteducatie aan de HKU, neemt in hoofdstuk 5 het proces van de coaches onder de loep. En in het slothoofdstuk reflecteert cultuurjournalist Aukje de Boer op de impact van dit project op de betrokken makers en hun omgeving en doet ze voorstellen voor mogelijkheden van coaching in de toekomst.

Dit boek had niet geschreven kunnen worden zonder de gulle input en betrokkenheid van een keten aan partijen: makers, coaches, consulenten, spelers, publiek, onderzoekers, beleidsmakers en fondsen. Hen allen wil ik hiervoor hartelijk danken!

‘Het gekke aan coaching is dat de coach er ook is als hij er niet is. Ik zag hem eigenlijk constant meekijken over mijn schouder.’