Balorig gingen ze brainstormen. ‘We zetten een paar mannen in drijfzand’ riep iemand. Dat sprak tot de verbeelding. Ze hadden al snel het gevoel dat ze iets goeds te pakken hadden. Drijfzand werd een installatie met water. 3 mannen werden 3 karakters.
De bezoeker, gebruiker in DMD-termen, wordt ertoe verleid de confrontatie aan te gaan met 3 kamerhoge filmprojecties in een afgesloten ruimte. Op elk scherm is dezelfde kamer te zien met dezelfde acteur.
Enkele seconden nadat de gebruiker voor de schermen staat beginnen de kamers vol water te lopen. Tegelijkertijd stroomt een straal water bij elk scherm naar beneden. De gebruiker kan de straal onderbreken.
Dan stopt ook het water op het beeldscherm. Het beeld zapt daardoor naar een fragment uit het leven van deze man. Je ziet een dilemma of conflict dat hij daar wil oplossen. Zo realiseert één van de mannen zich dat hij het contact met zijn dochter ernstig verwaarloosd heeft.
Naarmate de kamers verder vol lopen ontstaat verdrinkingsangst. Elk van de mannen probeert je over te halen, te verleiden, de waterstraal te stoppen. Hij hoopt te overleven en in ieder geval iets in zijn leven recht te zetten, voordat hij ten onder gaat.
De gebruiker kan maar 1 straal tegelijk onderbreken. Hij moet kiezen wie hij redt. En hij kiest wie nog iets in zijn leven mag goedmaken.
De studenten hebben er diep over nagedacht. Oordelen over uiterlijk wilden ze zoveel mogelijk uitschakelen. Ze zetten daarom de mannen neer in hun ondergoed. Toneelnaakt heet dat.
De verleiding, de interactie, wordt gestuurd door het karakter dat wordt getoond en het conflict hij met zich meedraagt. ‘De essentie van de installatie is het gevoel van onmacht dat ontstaat bij de mannen en ook bij de gebruiker. De gebruiker kan maar 1 man redden. Hij wordt verantwoordelijk. De mannen moeten ieder voor zich de gebruiker overhalen juist hem te redden. De vraag wordt: Hoe gemakkelijk laat je je verleiden? Macht en onmacht. Manipulatie en verleiding.’
Ze zijn er eigenlijk beduusd van hoe goed het project liep toen ze eenmaal een goed concept hadden. Hoeveel energie er vrij kwam. Hoe voortvarend ze tot oplossingen kwamen. ‘Een goed concept zorgt voor zichzelf.’
De een werkte aan de karakters, de scenario’s, de ander werkte aan techniek en interactie of bouwde aan de installatie. Een spelregisseuse werd bij een andere opleiding gevonden.
Er waren nauwelijks spanningen. Als er al iets was spraken ze er elkaar direct op aan. ‘Dat verwachten de docenten ook. Je moet elkaar scherp houden. Als iemand in de groep niet werkt is dat ook de verantwoordelijkheid van de groep. Het bedrijfsleven heeft straks ook geen boodschap aan een slecht groepsproces.’
Elke week werden de ontwikkelingen in de lessen gepresenteerd. De docenten stuurden bij, gaven kritiek. ‘Je moet zelf weten wat je met de kritiek doet. Als je het maar kunt verantwoorden.’
Mark, Sander, Jeroen en Marnix hebben er veel van geleerd. Voor de een is dat scenario’s schrijven en personages ontwikkelen. Voor de ander was dat het moment dat hijzelf in de installatie stond en merkte hoe sterk het op hem inwerkte. De kracht van een goed concept hebben ze allemaal ervaren. ‘Het gaat een eigen leven leiden.’
Marc Smits, Sander ter Braak, Jeroen van Loon en Marnix Koppen, 2e jaars studenten Digital Media Design, vertellen over de ontwikkeling van de installatie WIE.
Bekijk hier het filmpje over de installatie Wie.